Scroll verder

 

 

VAN MORGEN

WERKEN AAN DE SCHOOL

Beleidsplan 2015-2019

Hoe kan het morgen beter?

 

 

De kwaliteit van onze inspanningen is cruciaal voor de toekomst van onze leerlingen. Daarom kijken wij voortdurend hoe wij ons werk als Alliantiescholen beter vorm kunnen geven. In dit beleidsplan vertellen wij wat onze belangrijkste plannen zijn voor de komende jaren en hoe wij bereikte resultaten willen borgen. Voordat we onze plannen ontvouwen, maken we de balans op van de afgelopen jaren. Ook geven wij aan op welke toekomstige ontwikkelingen, kansen en knelpunten wij een antwoord moeten geven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze oogst

   De kwaliteit van onderwijs van onze scholen is op orde. (Zeer) zwakke afdelingen hebben we niet, onze leerlingen doen het – naar verhouding – goed in hun vervolgopleiding.

   Docenten zijn professionals. Ze krijgen de ruimte zich verder te ontwikkelen, zijn bevoegd.

   De huidige bestuurs- en organisatiestructuur en cultuur bevalt.

   Onze financiën zijn op orde. De Alliantie Voortgezet Onderwijs is ‘in control’.

   Wij verantwoorden ons op een transparante manier naar personeel, ouders, overheid, instellingen en bedrijven die belangrijk zijn voor ons werk.

   Wij staan midden in de samenleving.

 

Onze aandachtspunten

   Het beroepsgerichte vmbo houdt een imagoprobleem.

   Het leveren van een meer maatgericht en dus gedifferentieerder onderwijsaanbod kan beter.

   Nascholing staat hoog op de agenda, maar gebeurt nog te weinig stelselmatig.

   Leren en vooral leren van elkaar – ook als scholen – verdient een hogere plaats op de agenda.

   Het vormgeven en inpassen van ICT-voorzieningen blijft lastig.

   Het lukt (nog) niet een verantwoorde omslag naar maatwerk te zetten, alle leerlingen kansen te bieden en in te spelen op de actualiteit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze uitdagingen

   Het bieden van beter onderwijs als stimulans voor een sterkere economie.

   Een belangrijkere plaats voor internationalisering en globalisering in ons curriculum.

   Benutten van ICT-mogelijkheden: onderwijskundig verantwoord, zonder bedrijfsmatige risico’s.

   Leerlingen ‘opvoeden’ tot verantwoorde, betrokken, maar ook creatieve en sportieve burgers.

 

 

Concreet aan de slag met WRR-adviezen

•   Een te vroege selectie in het onderwijs voorkomen.

•   Cognitieve vakken vaker met praktische vaardigheden combineren.

•   In het vmbo theorievakken vaker praktisch uitwerken.

•   De docentopleiding verder optimaliseren, meer oog voor goede honorering
van vo-docenten.

 

 

 

 

1

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Volgens Nijmegens onderwijswethouder Helmer danken de Alliantiescholen hun sterke positie in de regio mede aan een zelf vormgegeven identiteit en een unieke, eigen sfeer. Toch is dat allerminst reden om achterover te leunen, vindt de politica die het idee voor meer differentiatie in de klas liefst vandaag nog zou uitvoeren.


    Hoe is het om onderwijswethouder van Nijmegen te zijn?

    ‘Ik voel me een gezegend mens. Zeker als ik naar het voortgezet onderwijs kijk. Alle Nijmeegse vo-scholen zijn kwalitatief goed, krachtig en sterk. Dat is iets om trots op te zijn. Moet ik onderscheid maken tussen de vo-scholen – die van de Alliantie in het bijzonder – dan zie en proef ik vooral sfeerverschillen. Dat merk je al als je een gebouw binnenloopt. Alle Alliantiescholen hebben iets unieks, iets eigens. Kinderen uit Nijmegen en omgeving fietsen er soms zelfs voor om, vaak langs andere scholen.’

    Met de kwaliteit van de (Alliantie)scholen zit het wel goed. Wat is volgens u nodig om die kwaliteit de komende jaren te borgen?

    ‘Een goede onderlinge samenwerking en krachtenbundeling zijn van levensbelang, zeker in tijden van teruglopende leerlingenaantallen en bezuinigingen. In Nijmegen kunnen en moeten we ook profiteren van het feit dat primair onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo, hbo en universiteit zich bijna letterlijk op loopafstand van elkaar bevinden. Iedere leerling die wil, kan zijn of haar studieloopbaan in de stad volgen en volbrengen. Zeker als schoolbesturen en andere betrokken partijen een nog sterkere vuist maken in het creëren van deze letterlijk doorlopende leerlijn.’

    Vandaar ook de introductie van de innovatieagenda voor het onderwijs ‘Iedereen heeft talent’?

    ‘In de innovatieagenda voor het onderwijs ‘Iedereen heeft talent’ werken scholen en alle onderwijsinstellingen, van voorschoolse voorzieningen tot en met HAN en Radboud Universiteit, samen om talent de ruimte te bieden en niemand tussen wal en schip te laten vallen. Die visie ondersteun ik. Een van de ambities is om voor iedere leerling een portfolio, een soort persoonlijk paspoort, te introduceren. Dit portfolio brengt per individuele leerling de doorlopende leerlijn beter in kaart en vergemakkelijkt de ‘warme’ overdracht tussen po, vo en vervolgonderwijs. Ook biedt het portfolio inzicht in hoe een leerling tijdens zijn of haar onderwijsloopbaan is gegroeid. Dat kinderen met negens op hun rapport de grootste pluimen krijgen, is terecht. Maar er zijn er ook die door hun inzet van een zes een acht maken. Dat zegt iets over het karakter van een leerling, over de absolute wil en potentie om daadwerkelijk een hoger cijfer te halen. Belangrijke informatie dus.’

    Helpt meer differentiatie in de klas volgens u ook om ieders talenten beter te benutten?

    ‘Absoluut! Het volgen van lessen op verschillende niveaus is een ontwikkeling die ik van harte toejuich. Veel mensen zien beren op de weg waar het differentiatie in de klas betreft. De discussie over waardevermindering van het diploma bijvoorbeeld ken ik, maar vind ik een typisch geval koudwatervrees. Een kind dat 80% van alle vakken op havo-niveau en de rest op vwo-niveau haalt, zal niet kiezen voor wetenschappelijk onderwijs. Differentiatie schept helderheid in iemands talenten en ambities, laat kinderen ‘steviger’ opgroeien naar volwassenheid. Voor mij is differentiatie in de klas een stip op de horizon; een stip die ik in Nijmegen wel zou willen zetten.’

    Over onderwijsdiscussies gesproken en hoe denkt u dat het vmbo haar aantrekkingskracht kan vergroten?

    ‘Tijdens mijn allereerste onderwijsoverleg zei een bestuurder dat ouders van een kind met vwo-advies zeggen: ‘Mijn kind mag naar het vwo’. Ouders van een kind met vmbo-advies vertellen dat hun kind naar het vmbo moet. Die opmerking zegt alles. Het lastige en tegelijkertijd zorgelijke is dat vmbo-leerlingen al op heel jonge leeftijd moeten kiezen voor een profiel dat vaak bepalend is voor de rest van hun leven. Kinderen op havo en vwo mogen veel langer doorrijpen. Optie is om het vmbo-keuzemoment op te schuiven. Of om op het ROC een brugjaar in te bouwen, waarin kinderen die nog niet weten wat ze willen meer kans krijgen dat te kiezen wat écht bij ze past. De huidige focus van het vmbo op loopbaanbegeleiding en de arbeidsmarkt moet worden verlegd, Veel belangrijker volgens mij is om in te zoomen op de ontwikkeling van het kind.’

    Past in die ontwikkeling ook de toenemende inzet van ICT in de klas?

    ‘De wereld draait steeds meer op en om ICT, dus ICT in de klas hoort erbij. Bovendien is de school een veilige omgeving om kinderen met de toenemende digitalisering te laten stoeien. Waar scholen wel voor moeten zorgen, is dat ze minder draagkrachtige ouders financieel tegemoetkomen bij de aanschaf van apparatuur en hulpmiddelen. Er mag geen tweedeling in de klas ontstaan, alleen omdat sommige kinderen zich geen laptop of iPad kunnen veroorloven.’

    Hoe ziet u verder de rol van ouders ‘in en bij de klas’?

    ‘Scholen moeten openstaan voor ouders, al is het aan de ouders zelf om te bepalen waarvan ze gebruikmaken en hoe. Zeker omdat ze vaak al heel veel informatie krijgen, bijvoorbeeld via Magister. Magister is een goed systeem om een kind letterlijk bij de les te houden, onder meer via een grotere ouderbetrokkenheid. Toch moeten ouders zich afvragen of ze hun kind in alles willen volgen als een soort Big Parent is watching you. Een kind moet ook de ruimte krijgen om een keer iets niet te vertellen. Dat maakt ze verantwoordelijker en zelfstandiger, maar confronteert ze ook met eventuele nadelige consequenties van hun gedrag.’

    Kinderen moeten ‘kunnen groeien’. Wat vindt u in dat kader van passend onderwijs?

    ‘Ik benader passend onderwijs heel kritisch. Ik vind dat we altijd naar het kind moeten kijken. Als het helemaal opbloeit: prachtig. Loopt het constant op de tenen, dan is passend onderwijs misschien toch een brug te ver. Verder moeten scholen de ruimte hebben. Passend onderwijs prima, maar dan wel in niet te grote, passende klassen waar bevlogen docenten hun werk met plezier kunnen blijven doen.’

    Tenslotte: heeft u nog concrete tips voor de Alliantiescholen?

    ‘Wat ik zeker niet zou veranderen, is het feit dat rectoren van alle Alliantiescholen hun eigen school mogen creëren, hun identiteit grotendeels zelf vormgeven en uitdragen. Als ik dan toch een paar tips mag geven. Eén: blijf als school in beeld, ga uit van je eigenheid en leun niet te snel achterover. Twee: leg verbindingen met de wijk. En drie: zet altijd het kind centraal, niet het leersysteem.’

Renske Helmer, wethouder Onderwijs gemeente Nijmegen

‘Alliantiescholen hebben iets unieks, iets eigens’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Alle innovatieve ontwikkelingen en nieuwe trends in onderwijsland ten spijt: uiteindelijk zijn het de docenten voor de klas die het verschil moeten maken. Hier valt nog een wereld te winnen, vindt Hetty Dekkers, als hoogleraar Onderwijskunde aan de Nijmeegse Radboud Universiteit warm pleitbezorgster van een op academische leest geschoeide professionaliseringsslag in de lerarenopleidingen.


    Academisch opgeleide leraren

    ‘Goed onderwijs hangt af van heel veel zaken. Van het onderwijsaanbod bijvoorbeeld en het onderzoek dat hiervoor de basis vormt. Van de inrichting van de leeromgeving en de inzet van al dan niet digitale en online leermiddelen. Van een eigentijds curriculum, waarin leerlingen worden voorbereid op de steeds complexere kennissamenleving en een kritische en sterk veranderende arbeidsmarkt. Van een samengaan van vakken, meer integratie van theorie en praktijk. Maar vooral van professioneel geschoolde docenten. En daar valt een wereld te winnen, want er is een groot tekort aan academisch opgeleide leraren. Hier moet echt iets gebeuren. Ik verwacht veel van de Academische Opleidingsscholen, die niet alleen beter onderlegde professionals moeten gaan afleveren, maar ook bijdragen aan een meer onderzoekgerichte cultuur in de scholen zelf en uiteindelijk een aantrekkelijker werk- en leerklimaat.’

    Een leven lang leren

    ‘De komende jaren moet de focus nog veel meer op de docenten liggen. Uiteindelijk maken zij het verschil in het onderwijs. De docent anno nu moet zijn of haar vakdidactiek beheersen, vakliteratuur bijhouden, over onderzoeksvaardigheden beschikken. Een echt goede docent weet zichzelf en leerlingen optimaal te motiveren, is een netwerker en ondernemer, iemand met affiniteit voor technologische toepassingen en innovatieve ontwikkelingen. Dit geldt niet alleen voor nieuwe, maar ook voor ervaren docenten. Daarom is continue bijscholing zo belangrijk, het in praktijk brengen van een leven lang leren.’

    Strengere selectie aan de poort

    ‘Er zijn te weinig academisch opgeleide eerstegraads docenten die analytisch kunnen en willen denken. Die weten welke kennis ze hoe in hun onderwijs moeten toepassen. Nog teveel mensen zien het docentschap als een baantje in plaats van hun roeping. Er zijn veel parttimers, terwijl juist gemotiveerde fulltime professionals met veel kennis enorm nodig zijn. Wat je ziet is dat relatief veel zwakke havo-leerlingen voor de pabo kiezen. Dat is op zich prima, al pleit ik wel voor veel strengere selectie aan de poort. Uiteindelijk zijn het deze docenten die moeten zorgen voor de invulling van het dagelijkse lesprogramma, de opzet van passend onderwijs, differentiatie in de klas, het kinderen op een goede manier leren leren.’

    Toestroom genereren

    ‘Lang is er een tekort geweest aan exacte wetenschappers die leraar wilden worden en juist een overschot aan onder meer geschiedenisdocenten. Daar kun je als universitaire lerarenopleiding niet zoveel aan doen, omdat je afhankelijk bent van de instroom uit soms heel kleine studies. Anders is het op de hbo-lerarenopleiding. Hier moet je toestroom zien te genereren van leerlingen uit het voortgezet onderwijs, liefst in vakken die zitten te springen om mensen.’

    Differentiatie van het lesaanbod

    ‘Ook een belangrijk item voor nu en zeker de komende jaren is differentiatie in en van het lesaanbod. De ontwikkeling van basisvaardigheden blijft noodzakelijk. Welke dat precies zijn, kun je nader bekijken en, waar nodig, eventueel herzien. Nu krijgen leerlingen in sommige vakken veel kennis aangereikt die ze erin moeten stampen, maar die vaak helemaal niet zo relevant is. Interessanter is te kijken hoe leerlingen nog beter zélf kunnen leren. Zeker in een ICT-achtige omgeving; toch dé setting van de nabije toekomst. In het verlengde daarvan doet de vraag zich voor hoe je leerlingen laat leren. Is dat via klassikaal onderwijs? Juist meer individueel gericht? Een combinatie van beide wellicht, bijvoorbeeld in de vorm van blended learning? Zelf ben ik kritisch op het zogenaamde iPad-gestuurde onderwijs. Uiteindelijk is het helemaal niet belangrijk of iedere leerling een iPad krijgt. Veel belangrijker is wat je leerlingen probeert te leren.’

    Aandacht voor de onderkant

    ‘In de afgelopen 40 jaar is in Nederland veel aandacht besteed aan de minder presterende leerlingen. Er is veel geld uitgegeven aan achterstandsonderwijs, er is een achterstandenbeleid geformuleerd, er is veel cohortonderzoek gedaan en gekeken naar de invloed van vroeg- en voorschoolse educatie. Dat heeft onder meer geleid tot een hogere PISA-score. Nederland doet het in vergelijking met andere landen dan ook beter aan de onderkant. Gevolg is wel dat het hoger begaafdenonderzoek totaal is vergeten. En ook dat zie je terug in de PISA-scores, die voor Nederland relatief laag uitvallen. Terwijl we kennisland willen – nee: moeten – worden. Te meer een reden om structureel aandacht te besteden aan hoger begaafden, excellente leerlingen en het omgaan met verschillen.’

    Jaarklassensysteem loslaten

    ‘Het voortgezet onderwijs in Nederland is heel extreem in het heel vroeg selecteren van leerlingen en het leerlingen zichzelf laten selecteren. Heel anders bijvoorbeeld dan Amerika, waar geen jaarklassensysteem is en leerlingen vakken volgen op verschillende niveaus. Hier in Nederland zijn leerlingen op hun 12e meteen een vmbo-leerling of een vwo’er. Wat vaak heel stigmatiserend werkt. Het zou mooi zijn als de Alliantiescholen zouden zeggen: ‘wij lopen graag voorop en interpreteren het differentiëren zo dat we niet heel strak vasthouden aan dat jaarklassensysteem.’ Toegegeven: dat is ingewikkeld, omdat het onder meer betekent dat je als school anders en meer moet roosteren. Aan de andere kant zou het kinderen die willen en kunnen de kans geven zich praktisch en theoretisch te laten scholen op het niveau dat écht bij hun past.’

    Excellentie breder trekken

    ‘Gaat het over meer aandacht voor excellentie, dan hebben we het haast als vanzelfsprekend over excellente vwo-leerlingen. Misschien moeten we het breder trekken en ook op zoek gaan naar excellente leerlingen op vmbo- en havoniveau. Waarbij we excellentie koppelen aan een specifiek gebied of een bepaald talent, in plaats van alleen maar aan de mate van intelligentie.’

Hetty Dekkers, hoogleraar Onderwijskunde Radboud Universiteit (RU)

‘De komende jaren nog meer focus op de docenten’

    ‘Heel fijn, een school met een eigen
    sfeer
en veel aandacht

             voor de leerlingen

Jeroen Rood, directeur Samenwerkingsverband V(S)O Nijmegen e.o.

‘Docenten kunnen in passend onderwijs het verschil maken’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Volgens Jeroen Rood, directeur Samenwerkingsverband (V)SO Nijmegen en omgeving, hoeven de Alliantiescholen niet bang te zijn dat de invoering van passend onderwijs zal mislukken. Basis en overlegstructuur zijn stevig verankerd, het werkveld is goed op elkaar ingespeeld. Dat neemt niet weg dat er wel wat op scholen af komt, de docenten in het bijzonder.


    Megaverandering

    ‘De invoering van passend onderwijs in augustus 2014 is een megaverandering die niet vanaf dag één, maar de komende vijf, zes jaar zijn beslag gaat krijgen. Niet langer draait het om de vraag ‘wat heeft de leerling?’, maar ‘wat heeft de leerling nodig?’ Wij hebben het geluk in onze regio dat we een goede basis hebben, een solide overlegstructuur, een werkveld waarin partijen en organisaties met elkaar kunnen lezen en schrijven. Dat neemt niet weg dat er wel wat op de scholen afkomt. Op docenten bijvoorbeeld die meer nog dan nu voor structuur in de klas moeten zorgen. Op schoolleiders die de filosofie van het nodig hebben in het DNA en profiel van hun school, in hun eigen onderwijscultuur moeten zien te verweven. Want iedere school is anders en daarmee ook de manier waarop passend onderwijs vorm krijgt.’

    Scholen gerichter volgen

    ‘Ik verwacht dat met de invoering van passend onderwijs meer leerlingen gebruik gaan maken van het regulier onderwijs en de instroom naar het speciaal onderwijs afneemt. Leerlingen hebben nu eenmaal meer baat bij onderwijs in een reguliere setting. Daarmee zeg ik niet dat ik voorstander ben van alleen maar inclusief onderwijs. Sommige groepen leerlingen zijn het meest gebaat bij speciaal onderwijs. Maar dat minder kinderen naar het speciaal onderwijs hoeven, staat voor mij vast. Daarom gaan we als samenwerkingsverband de scholen gerichter volgen. Hoe bieden ze kinderen die normaal in het speciaal onderwijs terecht zouden komen alle noodzakelijke ondersteuning? Wat doen ze om uitval te voorkomen? Welke kennis, kunde en vaardigheden zijn nodig – van docenten tot conciërges – om passend onderwijs nog passender te maken?’

    Docenten maken het verschil

    ‘Mijn verwachtingen voor de komende jaren? Wat ik niet hoop is dat het onderwijs teveel ver-ICT-t. De docent die met passie zijn verhaal vertelt: daar kan niets of niemand tegenop. Er is niets mis met de inzet van ICT, zolang het een ondersteunend instrument blijft. Ze zeggen weleens dat de leerling centraal staat. Ik ben geneigd om te zeggen dat de docent die centrale rol speelt. Ik hoop niet dat het onderwijs al teveel verzakelijkt en percentages de koers gaan bepalen. Het zijn de mensen die het doen. Zij zorgen voor creativiteit, doen een beroep op iemands communicatieve vaardigheden, leggen de figuurlijke arm om de schouder van de leerling. Laten we de intermenselijke component van het onderwijs in het algemeen en het docentschap in het bijzonder niet vergeten. Uiteindelijk zijn het ook de docenten die in het passend onderwijs het verschil kunnen maken.’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Het Drutense Pax Christi College werkt al jaren nauw samen met regionale bedrijven en organisaties, in het streven om leerlingen ‘een paspoort voor de toekomst’ te geven. Daarbij legt het haar oor graag te luister bij zorggroep Maas & Waal en Huisman Elektrotechniek, twee belangrijke partners voor een school die in tijden van verandering op een eigentijdse manier moet zien te anticiperen op toenemende krimp.


    Over samenwerking


    Gea van de Pol, opleidingscoördinator Zorggroep Maas & Waal: ‘Al jaren werken we intensief samen met ‘het Pax’. We ontvangen leerlingen tijdens de doe-week, organiseren lint-, beroeps- en maatschappelijke stages. Ook vindt soms uitwisseling van personeel plaats. Wij laten docenten en decanen zien wat er binnen onze muren gebeurt. Andersom worden wij geregeld bijgepraat over het onderwijsaanbod, vooral op het gebied van zorg en welzijn. Voor ons is de samenwerking enorm belangrijk, zeker nu. Door de overheveling van extramurale zorg naar de gemeenten zijn op korte termijn vooral meer niveau 4- en niveau 5 mensen nodig. Of en hoeveel leerlingen van het Pax daar straks bij zitten, is in eerste instantie niet heel erg belangrijk. Het is ons vooral te doen om die eerste kennismaking, bedoeld om een goed beeld te schetsen van de ouderenzorg. En daar slagen we prima in, zo blijkt uit positieve reacties.’

    Peter Huisman, mede-eigenaar Huisman Elektrotechniek: ‘Wij komen uit de buurt, voelen ons verbonden met de regio, dus ook met het Pax Christi. De vergrijzing slaat toe, veel mensen gaan met pensioen. Daarnaast is goed opgeleid personeel schaars. Zeker in deze omgeving. Daarom proberen we jongeren zo vroeg mogelijk voor techniek te interesseren. We bieden stageplaatsen, leveren gastdocenten, assisteren bij vmbo-examens. Een stage is een ideale binnenkomer, vaak de opstap naar een vaste baan en in het verlengde daarvan, nieuwe ontwikkelmogelijkheden. Dit kunnen we niet alleen. Daarom hebben we ons met een aantal regionale bedrijven verenigd in de Vrienden van Elektro.‘

    Lex van Drongelen, schoolleider Pax Christi College: ‘Onze leerlingen zijn honkvast. Het gros blijft in de streek wonen en werken. Maar tijden veranderen. Vanzelfsprekendheden verdwijnen. De afstemming werken-wonen-leren wordt steeds belangrijker. Dat vraagt om gezamenlijke afspraken en daarin vervullen wij een belangrijke schakelfunctie. We willen onze leerlingen ‘een paspoort voor de toekomst’ geven, zodat ze letterlijk en figuurlijk hun weg vinden in de omgeving. Aan ons om ervoor te zorgen dat de deur richting bedrijfsleven een paar keer open is geweest, zodat bedrijven weten dat een ‘paspoortcontrole’ van onze leerlingen niet meer nodig is.’

    Wil van Ooijen, directeur vmbo Pax Christi College: ‘Als school moeten we vernieuwend zijn, enthousiasme uitstralen. Want vinden leerlingen het niet bij ons, dan doen ze dat een deur verder. Voor mij zijn een eigentijds vmbo en een goede samenwerking met de omgeving dé ingrediënten om leerlingen te binden aan school én streek.’

    Over een goede basis


    Lex van Drongelen: ‘Op onze school voeren we een interessante discussie over de ‘v’ en de ‘b’ in de afkorting vmbo. Hoe en waarvoor leiden we onze vmbo-leerlingen op? Zijn we vooral voorbereidend bezig en spreken we hoofdzakelijk algemene talenten aan, zodat ze zich in een vervolgopleiding kunnen redden? Of moeten we ons meer richten op de beroepsmatige kant en heel specifiek focussen op vakmanschap, het aanleren van een ambacht? Tussen ons vmbo en de arbeidsmarkt zit nog het mbo, maar leerlingen leggen hier wel de basis voor hun verdere carrière. Duidelijk in ieder geval is dat we talent de ruimte moeten geven.’

    Peter Huisman: ‘Het is een kwestie van en/en. Leerlingen doen brede basiskennis op in de schoolbanken, waarna ze zich verder specialiseren binnen de muren van het bedrijf of de organisatie waar ze aan de slag gaan. Bij het opdoen van die basiskennis spelen docenten een belangrijke rol. Net als leerlingen moeten ook zij meelopen in het bedrijfsleven om bij te blijven en praktische ideeën op te doen voor het bieden van een betere theoretische basis. Verder vind ik dat het bedrijfsleven medeverantwoordelijk moet worden voor het lesprogramma. Zeker op het mbo, waar het niveau niet altijd voldoet aan de eisen en wensen van de arbeidsmarkt.’

    Gea van de Pol: ‘Er zit nog een verschil tussen de dagelijkse werkpraktijk en de manier waarop praktijkvakken op school worden aangeboden. Daarom hecht ik zoveel waarde aan samenwerking met het vmbo. Al vind ik ook dat we – zeker als zorgsector – carrièremogelijkheden en –kansen sterker mogen benoemen, zeker voor de iets hogere niveaus. Zorg herbergt heel veel specialismes met de nodige doorgroeimogelijkheden.’

    Over de nabije toekomst


    Wil van Ooijen: ‘Het vmbo zit in een belangrijke omslagfase. Examenprogramma’s veranderen, de nadruk ligt meer en meer op talentontwikkeling. Daarom richten we ons vmbo-onderwijs anders in. Tot nu toe kregen vmbo-leerlingen vanaf klas 3 praktijkvakken aangeboden. Wat vaak een opgave is, zeker voor basis- en kaderleerlingen. Die zitten noodgedwongen op hun handen, terwijl ze liefst meteen aan de slag willen. Daarom introduceren we de carrousel, speciaal voor de onderbouw. Brugklasleerlingen maken in periodes van steeds acht weken kennis met de sectoren techniek, zorg en economie om vervolgens in klas 2 meer de diepte in te gaan. Dankzij de carrousel ervaren leerlingen beter wat bij hen past. Ook kunnen docenten gerichter en kritischer oordelen over de uiteindelijke keuzerichting. En niet onbelangrijk: met het bieden van meer variatie hopen we ook de wat lastigere leerlingen mee te nemen. Verder kijken we of en hoe we op alle niveaus van klas 1 tot en met 4 het loopbaanoriëntatie- en begeleidingstraject niet als één apart vak, maar door alle vakken heen aan kunnen bieden.’

    Lex van Drongelen: ‘In het McKinsey-rapport ‘Van onderwijs naar werk – een methode die werkt’ staat mooi omschreven hoe school, bedrijfsleven en leerlingen in drie aparte universums leven en hierdoor elkaar niet raken. Nieuwe structuren en initiatieven zijn nodig om één universum te creëren. Een van de oplossingen is om als school en bedrijfsleven elkaars deur letterlijk plat te lopen, de stereotiepe rolverdeling overboord te zetten. De carrousel helpt daarbij, maar er is méér nodig. Graag nodig ik bedrijven uit met ons mee te denken, instructies te geven, machines te leveren.’

    Gea van de Pol: ‘Vmbo-basis en -kader leerlingen komen als eersten bij ons binnen. Liefst willen we ook de vmbo-t-groep en havo- en vwo-leerlingen aan ons binden. Wat kan helpen is als ook zij in een vroeg stadium kennismaken met – in ons geval – de zorg. Tijdens mentorlessen bijvoorbeeld, of bij biologie, natuur- of scheikunde. Daarom ben ik ook zo blij met het plan van Pax Christi om het Loopbaanoriëntatie en -begeleidingstraject niet als apart vak, maar verspreid over verschillende vakken aan te bieden.’

    Peter Huisman: ‘Samenwerken en kennis uitwisselen is en blijft heel belangrijk. Natuurlijk leiden wij onze medewerkers intern op, maar voor de basis hebben we de scholen echt nodig. Houden wij ons als bedrijf niet bezig met het opleiden van mensen, tijdens en na hun schooltijd, dan lopen we binnen een paar jaar achter de feiten aan, zeker in deze regio. Daarom zet ik onze deur graag nog verder open om meer en beter op één lijn te komen. Aan de bereidheid om naar elkaar te luisteren, zal het niet liggen. Die is groot.’

    Lex van Drongelen: ‘De uitwisseling, afstemming en samenwerking met de regio helpt ons om scherp te blijven, de juiste keuzes te maken tussen leuk en belangrijk. Ik ben dan ook enorm blij met partners als zorggroep Maas & Waal en Huisman Elektrotechniek, twee instituten in deze regio. En met al die andere bedrijven en organisaties in de buurt. Nog steeds vinden we jaarlijks betrekkelijk eenvoudig een stageplaats voor ruim 150 basis- en kaderleerlingen. Dat zegt veel. En zeker in een krimpregio als deze: alles.’

Pax Christi College Druten gelooft heilig in samenwerking met ‘de regio’

‘Juiste keuzes maken tussen leuk en belangrijk’

Onze nieuwe missie

 

Onze leerlingen benutten hun talenten optimaal

Wij bieden leerlingen kwalitatief goed onderwijs in een omgeving waarin ze alle ruimte krijgen om zich te ontwikkelen en te groeien. Wij dagen onze leerlingen uit om hun talenten optimaal te benutten. Door zelf initiatief te nemen. Met elkaar samen te werken. Op een manier die aansluit bij wat ze willen en wie ze zijn. Leerlingen die het nodig hebben, krijgen extra ondersteuning en begeleiding om achterstanden of tussentijdse uitval te voorkomen. Excellente leerlingen dagen we uit om de grenzen van gebaande paden te verkennen en zichzelf te overtreffen.

 

Onze mensen krijgen de ruimte zich te ontwikkelen

Onze docenten en medewerkers zijn bepalend voor de ontwikkeling van onze leerlingen. Daarom investeren wij in onze mensen, op alle momenten in hun carrière. Wij bieden een passend en aantrekkelijk pakket primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Hanteren een eigentijds wervings- en opleidingsbeleid. Onze mensen zijn zélf verantwoordelijk voor hun eigen ontwikkeling, in lijn met die van hun school. Personeel en management voeren dan ook samen de regie over het meest geschikte en best passende loopbaanbeleid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze scholen verzorgen samen een herkenbaar onderwijsaanbod

Onze scholen verzorgen samen een volledig onderwijsaanbod in deze regio en hebben afzonderlijk ieder een eigen herkenbaar profiel. Leerlingen en hun ouders kunnen dus écht kiezen. Onze systematische manier van werken vertaalt zich in een structureel hoge onderwijskwaliteit, resulterend in goede leeropbrengsten en examenresultaten. Bovendien vinden wij het belangrijk dat onze scholen een duidelijke bijdrage leveren aan de brede vorming van onze leerlingen. Wij onderhouden intensieve contacten met basisscholen en instellingen in het middelbaar, hoger en universitair onderwijs. Hierdoor weten we wat er speelt in het onderwijsveld en zijn onze leerlingen verzekerd van een optimale doorstroming.

 

Onze scholen zijn verbonden met de samenleving

De wereld om ons heen verandert. Digitalisering rukt op. Individualisering en internationalisering nemen toe. Onze scholen anticiperen op deze ontwikkelingen. Spelen in op wat er in hun omgeving gebeurt of gaat gebeuren. Wij zijn sterk vertegenwoordigd en stevig verankerd in stad en regio. Waar mogelijk leggen wij verbindingen of werken we samen met bedrijven, organisaties en instellingen. Andersom halen wij de samenleving naar binnen. Onderwijs is voor onze scholen ook een bijdrage leveren aan de vorming van leerling tot betrokken en verantwoorde (wereld)burgers.

 

 

 

Onze leerlingen

 

 

Onze leerlingen komen op de eerste plaats. We bieden ze een veilige omgeving, dagen ze uit het beste uit zichzelf te halen. Onze scholen kennen álle leerlingen, niet alleen de achterblijvers en uitblinkers.
De komende jaren zetten we in op meer maatwerk, keuzemogelijkheden en samenwerking. Onder meer met ROC, hogeschool, universiteit, bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen. Zo laten we leerlingen
hun talenten nog beter benutten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze plannen voor de komende jaren

   Voor toelating van leerlingen op onze scholen is het basisschooladvies leidend. Bij vragen gaat de school in gesprek met collega’s van het primair onderwijs en de ouders.

   De overdracht van zorgleerlingen naar en van onze scholen vindt zorgvuldig plaats. Er is altijd sprake van een ‘warme’ (persoonlijke) overdracht.

   Onze scholen zetten zich in voor een doorlopende schoolcarrière. We beperken ‘zitten blijven’ zoveel mogelijk. Leerlingen bereiden wij goed voor op het vervolgonderwijs.

   Opvattingen van leerlingen en hun ouders doen er toe. Wij willen hen bij onze scholen betrekken en benutten alle mogelijkheden van medezeggenschap en inspraak.

   Wij onderzoeken stelselmatig de tevredenheid van onze leerlingen en hun ouders. Verbeterpunten pakken wij in overleg met hen aan.

   Onze scholen maken werk van passend onderwijs. Wij leveren een actieve bijdrage aan het regionaal samenwerkingsverband en zetten ons in voor goede bovenschoolse voorzieningen.

   Wij accepteren geen langdurige thuiszitters. Als een leerling (tijdelijk) naar een andere voorziening of andere school moet, mag deze niet langer zonder duidelijke redenen dan 48 uur thuis zitten.

   Onze scholen beschikken over goed functionerende zorgadviesteams. De ambulante begeleiding vindt integraal op school plaats. De samenwerking met de jeugdhulpverlening en de jeugdzorg verloopt goed, mede dankzij de inzet van ons schoolmaatschappelijk werk.

 

 

Hoe wij onze plannen willen realiseren

Zorgvuldige toelating en goede overgang vanuit de basisschool.

Realistische werving.

Leerlingen bewust volgen.

Actieve betrokkenheid (oud-)leerlingen en ouders.

Veiligheid boven alles.

Optimale inzet voor zorgleerlingen.

Actief voor passend onderwijs.

Continuïteit Monnikskap waarborgen.

 

 

Verder lezen? Download de PDF voor ons volledige verhaal.

 

 

2

    ‘Mijn klas is echt een groep,

          meer nog dan op de

                  basisschool

        ‘Filosofie als keuzevak …

          ECHT GEWELDIG!

3

Karel de Waal, rector Citadel College

‘Leerlingenondersteuning is recht doen aan verschillen’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Scholen krijgen er met de invoering van passend onderwijs in het algemeen en de ondersteuning van zorgleerlingen in het bijzonder een extra taak bij. Karel de Waal, rector van het Citadel College, ziet de ontwikkeling met vertrouwen tegemoet.


    Geleidelijke ontwikkeling

    ‘De invoering van passend onderwijs draagt bij aan een steeds meer op maat gericht aanbod. Dat gebeurt niet ineens, maar gaat geleidelijk. In Nijmegen en omgeving zijn zorg en ondersteuning voor leerlingen die het nodig hebben goed geregeld in het samenwerkingsverband V(S)O. De hiervoor beschikbare middelen worden wel minder. Leerlingen moeten waar mogelijk binnen het reguliere onderwijs ondersteuning krijgen, zodat ze minder zijn aangewezen op het speciaal onderwijs. Overigens moet het speciaal onderwijs zeker blijven bestaan voor leerlingen van wie we zeker weten dat we ze niet kunnen bedienen.’

    Rust, orde en regelmaat

    ‘Leerlingen - en zorgleerlingen in het bijzonder - zijn gebaat bij docenten die rust, orde en regelmaat in hun klas aanbrengen. Die duidelijk maken wat ze op klasniveau en individueel niveau van hun leerlingen verwachten. En andersom aangeven wat leerlingen van hen mogen verwachten. Staat de organisatie en is sprake van acceptatie door de leerlingen, dan ontstaat ruimte. Ruimte die bijvoorbeeld nodig is om goed recht te kunnen doen aan verschillen. Om goed onderling contact aan te gaan. Om een goed georganiseerde les neer te zetten waar voor iedereen duidelijk is wat er moet gebeuren. Ook dat is passend onderwijs. Leerlingen moeten stap voor stap de gretigheid ontwikkelen om te willen leren. Om te reflecteren op hun eigen handelen, het effect van hun eigen handelen en dat van anderen. Dat wordt in het vervolgonderwijs ook van ze verlangd. Ooit was reflectie een in kleine lettertjes beschreven term, ergens in de marge. Anno nu is het een van de belangrijkste competenties. Een bron van leren, op alle niveaus.’

    Samen met de ouders

    ‘Als school stellen we een ontwikkelperspectief op voor een kind, samen met de ouders. Zij zetten niet alleen een handtekening ‘ik ben het ermee eens’ onder dat wat we afspreken om te doen, maar spelen zelf een rol bij het vervullen van die afspraken. Niet alleen de school, ook de ouders zijn nauw betrokken bij de invulling en uitvoering van het ontwikkelperspectief. Ons streven is te komen tot een gesprek tussen twee partijen over hoe we zoon of dochter zo goed mogelijk door het voortgezet onderwijs loodsen. Wat betekent dat we ouders kunnen vragen hoe het gaat met de begeleiding thuis. Misschien dat we ouders hier af en toe bij moeten helpen, maar de kwaliteit van het onderwijs wint enorm aan kracht. Zeker waar het deze groep leerlingen betreft.’

        ‘Architect lijkt me wel wat,

         je eigen huis

                     ontwerpen’

Henk Keijman, rector Maaswaal College Wijchen

‘Partnerschap met de ouders weer aanhalen’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    De komende jaren verandert het nodige in de ondersteuning van leerlingen, mede ingegeven door de invoering van passend onderwijs. Belangrijk voor het welslagen van alle inzet zijn onder meer de professionalisering van docenten, het partnerschap met de ouders en de samenwerking met hulpverlening en maatschappelijke organisaties, verwacht rector Henk Keijman.


    Gevoeligheid ontwikkelen

    ‘Een van de prettige dingen aan passend onderwijs is dat we afstappen van de etikettering en diagnostisering. Niet de vraag ‘wat heeft een leerling?’, maar ‘wat heeft een leerling nodig?’ wordt het leidende principe. Ook in ons samenwerkingsverband V(S)O. Daar ben ik blij mee. Niet alle adhd’ers of kinderen met dyslexie zijn gebaat bij dezelfde aanpak. Een van de uitdagingen zal dan ook zijn om docenten hun mogelijkheden – voor zover nodig – zodanig op te laten rekken dat ze deze leerlingen in de klas ook echt kunnen bieden wat ze nodig hebben. Wil je leerlingen goed kunnen ondersteunen, dan is extra deskundigheid vereist. Docenten kunnen pas inspelen op bepaalde vragen als ze snappen wat er met een kind aan de hand is. Die gevoeligheid moeten we met elkaar verder ontwikkelen. Door intern kennis uit te wisselen, docenten cursussen of zelfs een opleiding te laten volgen, zoals de master Special Educational Needs.

    Netwerk om het gezin

    ‘Belangrijk in de begeleiding van leerlingen met een ondersteuningsvraag is de samenwerking met hulpverlening en maatschappelijke organisaties. In Nijmegen en omgeving is altijd ingezet op zorgadviesteams, de schil om school en leerling. Die schil wordt door de transitie van de jeugdzorg afgepeld en naar de wijk gebracht. Voorheen moesten we als school soms – oneerbiedig gezegd – met een kind leuren om het op de goede plek in zorg te krijgen. Nu maken we als school deel uit van het netwerk om het gezin, worden we medeverantwoordelijk en komen we meer in onze eigenlijke rol – het verzorgen van onderwijs en bijdragen aan de ondersteuning – te staan. We zullen dus moeten leren om het kind meer te zien als onderdeel van het gezin, van de wijk, de omgeving. En niet alleen als de leerling waar we als school en alle andere partijen in de schil heel goed voor gaan zorgen.’

    Verantwoordelijkheid bij de ouders

    ‘Het bieden van ondersteuning aan leerlingen betekent ook het managen van verwachtingen van ouders. De afgelopen jaren hebben we ouders afgeleerd om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen door te zeggen: ‘Als u kind iets heeft, dan zorgen wij ervoor dat het wordt opgelost’. Zaak is om het partnerschap met ouders aan te halen en de verantwoordelijkheid bij hen terug te leggen. We zullen nadrukkelijk aan moeten geven wat we als school wel en niet kunnen, wat we wel en niet doen. Ouders willen vaak wel, maar kunnen niet of niet meer. Op onze havo-vwo-afdeling bijvoorbeeld geven docenten een cursus huiswerkbegeleiding aan ouders, zodat zij hun zoon of dochter kunnen helpen bij het huiswerk maken. Het teruggeven van verantwoordelijkheid betekent niet dat we verantwoordelijkheden over de schutting gooien, maar dat we meer met ouders samenwerken.’

Ronald van Bruggen, schoolleider Stedelijk Gymnasium

‘Binnen reguliere lessen meer ruimte voor differentiatie’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Als excellente school is het Stedelijk Gymnasium het aan zijn stand verplicht om hoogbegaafde leerlingen uit te dagen. Toch gaat excellentie verder dan uitblinken op intellectueel niveau, vindt ook schoolleider Ronald van Bruggen, die extra aandacht voor leren leren en metacognitieve vaardigheden minstens zo belangrijk vindt.


    Verbredingsproject

    ‘We testen alle eerstejaarsleerlingen. Op cognitieve vaardigheden, motivatie, andere capaciteiten. Het gebeurde weleens dat leerlingen niet de prestaties leverden die we verwachtten. Daarom zijn we het verbredingsproject begonnen. Leerlingen die meer aankunnen dan gemiddeld mogen tijdens reguliere lestijd aan een eigen project werken, onder begeleiding van een mentor. Dat kan het schrijven van een toneelstuk zijn, maar ook het maken van een werkstuk over de kosmos. Leerlingen mogen gewone lessen missen om zich verder te verbreden, waarmee het een soort gepersonaliseerd onderwijs is.’

    Leren leren

    ‘Excellente leerlingen hebben eigenlijk nooit leren leren. Het is ze altijd aan komen waaien. Ze nemen stof heel snel en gemakkelijk op. Ervaring leert dat sommige leerlingen mede daarom in de bovenbouw vastlopen, dus brengen we leerlingen in de onderbouw al bij hoe ze moeten leren. Dreigende onderpresteerders pakken we in het vierde jaar op door ze een POP-project aan te bieden. Verder werken we de laatste jaren ook met het BREIN-leren. Idee is dat bovenbouwleerlingen les geven aan onderbouwleerlingen en door hun tutorschap werken aan hun metacognitieve vaardigheden. Uiteraard besteden we ook veel aandacht aan leerlingen die moeilijk mee kunnen komen, in de vorm van faalangst- en examentrainingen, steunlessen en cursussen sociale vaardigheden. We doen extra ons best om alle leerlingen binnen te houden, omdat ze door het categorale onderwijskarakter van een zelfstandig gymnasium anders van school moeten.’

    Motiveren, activeren, differentiëren

    ‘Het afgelopen jaar hebben we veel aandacht besteed aan de invoering van ICT in de klas. En die lijn zetten we door. Alle docenten hebben een laptop of tablet, de vaste computers in de lokalen verdwijnen. Via scholing stimuleren we docenten de komende jaren om ICT structureel in hun lessen in te zetten. Niet zozeer als vervanging van de boeken, maar als middel om te motiveren, activeren en differentiëren; het going MAD. Nu vinden leerlingen vooral buiten de schoolmuren verbreding, maar met de inzet van digitale hulpmiddelen proberen we ook in de reguliere lessen meer ruimte aan differentiatie te geven. Verder willen we de keuzemogelijkheden voor leerlingen in de bovenbouw zoveel mogelijk handhaven, onder meer door kleine vakken zoals Wiskunde D en Filosofie samen op te pakken met een van de andere Alliantiescholen, zoals de SSgN.’

        ‘Liefst ga ik morgen nog aan

        de slag

                  in de zorg’

Marcel Janssen, schoolleider SSgN

‘Duidelijk en krachtig focussen op onze sterke punten’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Als excellente school heeft de Stedelijke Scholengemeenschap Nijmegen (SSgN) de zaken goed op orde. En dat wil het de komende jaren zo houden, vertelt schoolleider Marcel Janssen. Onder meer door in te zetten op de ontwikkeling van het personeel en een gezonde focus op het aantrekken van voldoende nieuwe leerlingen.


    Leerlingen reële kansen geven

    ‘Wij willen onze leerlingen reële kansen geven. Vanuit een gezamenlijke visie, een gezonde drang. En daarin speelt het personeel een cruciale rol. Als een van de eerste scholen in de omgeving zijn we met docententeams gestart, bedoeld om leerlingen gerichter te begeleiden en zo beter te maken. Secties zijn belangrijk geworden, werkhouding en pedagogische differentiatie verbeterd. De aanvankelijke tweedeling tussen onder- en bovenbouw is verdwenen, docenten worden gezien in hun vakmanschap. We hebben het predicaat excellent gekregen, vanwege onze resultaten. Ons duidelijke profiel, dat we structureel en in onderlinge samenwerking en afstemming door-ontwikkelen. En door onze insteek. Ooit gingen we voor het maximale, nu voor het optimale.’

    Blijven kietelen

    ‘Ons onderwijs is opgehangen aan de vier thema’s wetenschap, cultuur, internationalisering en topsport. Dat blijft zo. We gaan niet méér doen, al stellen we uiteraard wel onze doelen. Zo willen we eens per vier jaar op wetenschapsgebied een prestigieuze prijs winnen en ieder jaar een Nijmeegse prijs veroveren. Andere plannen zijn om jaarlijks een interessante excursie voor bètaleerlingen te organiseren en cultuurprofielscholieren een mooie uitvoering te laten maken. Allemaal haalbare doelen, als je er iets voor doet. Uiteindelijk moet het wel blijven kietelen. Ook omdat bijna al onze leerlingen een andere middelbare school voorbijfietsen om hier te komen.’

    Ontwikkeling personeel

    ‘De komende jaren zetten we stevig in op de ontwikkeling van het personeel. Docenten krijgen de kans hun vakkennis bij te houden, benodigde kwalificaties te halen. Maar ook om docent te zijn, zich op persoonlijk vlak verder te ontplooien. Onze medewerkers zijn tevreden tot heel tevreden, blijkt uit de cijfers. Dat is geweldig, maar heeft als nadeel dat de doorloop laag is en personeel relatief duur is. Ook hier moeten we scherp op blijven en vooral jonge veelbelovende docenten zien aan te trekken.’

    Interne mobiliteit

    ‘Ook belangrijk blijft het genereren van voldoende aanwas van leerlingen. Ons profiel ligt vast, onze leerlingenpopulatie is een mooie afspiegeling van de maatschappij. Dat willen we zo houden. Zeker met het oog op de verwachte krimp, waarbij in principe zomaar opeens tientallen leerlingen weg kunnen vallen. Willen we als Alliantiescholen ons marktaandeel behouden, dan moeten we de komende jaren duidelijk en krachtig blijven focussen op onze sterke punten en profielen, interessant blijven voor leerlingen, ouders en medewerkers. En niet te vergeten: kijken hoe we via interne mobiliteit tussen de Alliantiescholen natuurlijk verloop en uitstroom in goede banen kunnen leiden.’

Onze mensen

 

 

Onze scholen staan voor goed onderwijs. Bij dat streven maken onze docenten, leidinggevenden en het ondersteunend personeel echt het verschil. Zij máken hun school. Wij verwachten veel van onze mensen,
dus investeren we in een passend personeelsbeleid. Goed onderwijs vraagt ook om een betrokken en ambitieuze leercultuur van leerlingen, docenten en leidinggevenden in een inspirerende leeromgeving.
Daarom maken we onze ambities concreet en ontwikkelen we ons verder als lerende organisatie waarin professionals de ruimte krijgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze plannen voor de komende jaren

   Onze scholen kennen een betrokken en ambitieuze leercultuur voor leerlingen, docenten, ondersteunend personeel en leidinggevenden.

   Wij stimuleren een lerende en onderzoekende houding, kiezen gericht voor een pedagogische en didactische aanpak en profilering.

   Wij investeren in en denken mee over niveau en opzet van de lerarenopleidingen en te investeren in permanente scholing. Daarvoor benutten wij de mogelijkheden van de Academische Opleidingsscholen optimaal.

   Onze mensen zijn regisseur van hun loopbaan. Ze houden hun eigen ontwikkeling in de gaten en kijken zelf – eventueel in overleg met hun collega’s en leidinggevende – wat nodig is om zich verder te bekwamen.

   Onze mensen ontvangen gedurende hun loopbaan passende begeleiding. Ook is er ruimte voor (bij)scholing. Als Alliantie Voortgezet Onderwijs bieden we zelf cursussen aan, zodat onze mensen nog meer gemotiveerd zijn bijscholing te volgen.

   De komende jaren gaan we (nog) meer masteropgeleide docenten aan ons binden. Voor de havo- en vwo-bovenbouw willen we ook meer universitair opgeleide docenten aanstellen.

   Scholen en bestuursbureau bieden docenten en ondersteunend personeel een veilig werk- en leerklimaat. Dit is nodig om elkaar feedback te geven en zo nodig aan te spreken.

   Het leiderschap in de scholen heeft een motiverend, stimulerend en faciliterend karakter. Onze schoolleiders spelen tijdig in op nieuwe ontwikkelingen.

   Ons personeelsbeleid kenmerkt zich door heldere centrale kaders en cycli. Daarnaast werken wij aan een personeelsbeleid dat meer persoonlijk gericht is.

   Wij voeren een eigentijds arbeidsmarktbeleid. Scholen en bestuur werken gericht samen met collega-besturen en het hoger onderwijs om te voorkomen dat er tekorten ontstaan bij bepaalde vakken.

 

 

Hoe wij onze plannen willen realiseren

•   Professionele organisatie, open cultuur.

•   Krachtig HRM-beleid.

•   Professionele ruimte in een professionele school.

•   Inspiratie en verdieping buiten school.

•   Permanent leren en ontwikkelen.

•   Passende scholing, nieuwe ervaringen.

-   Meer universitair opgeleide docenten.

-   Werken in teams en secties.

-   Inspirerende schoolleiders.

-   Tijdig inspelen op arbeidsmarktontwikkelingen.

-   Stimulerende en veilige werkomgeving.

-   Veiligheid en gezondheid garanderen.

-   Eigentijdse arbeidsvoorwaarden, passend personeelsbeleid

 

 

Verder lezen? Download de PDF voor ons volledige verhaal.

 

 

4

Marion Krabbenborg, schoolleider Dominicus College

‘Mensen het zelfvertrouwen geven dat bij hun rol past’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Schoolleider Marion Krabbenborg coacht, faciliteert en enthousiasmeert haar medewerkers zodanig dat ze in hun rol groeien en bewuster bezig zijn hun talenten optimaal te benutten. De hierdoor ontstane verbindende sfeer moet mensen meer verantwoordelijk maken voor hun deel van het onderwijsprogramma. Dat heeft zo zijn voordelen. Ook voor de leerlingen.


    Zelfvertrouwen geven

    ‘Toen ik hier in 2010 als schoolleider begon, had ik een aantal doelen voor ogen. Ik wilde in een goede sfeer de onderlinge samenwerking stimuleren en daarmee de professionaliteit van het personeel bevorderen. En heel belangrijk: bewust aandacht geven aan de medewerkers en daarmee aan de leerlingen. Een van mijn eerste acties was mensen bewust maken van hun autonomie, hun recht op inspraak. Dat hun inbreng de school maakt, van grote meerwaarde is. Dit vergt veel, vooral van de afdelingsleiders die jarenlang hun kwaliteiten op een andere manier hebben ingezet. Maar ze groeien in hun rol, weten beter wat hun speelruimte is en hoe die optimaal te benutten. Als schoolleider coach ik waar nodig, voer ik gesprekken waar kan. Ik faciliteer en complimenteer. Doe alles wat nodig is om mensen het zelfvertrouwen te geven dat bij hun rol past.’

    Professionele kracht bundelen

    ‘Ik probeer mijn mensen zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk te maken voor een deel van het onderwijsprogramma, waar kan professionele kracht te bundelen. En dat werkt. Iedere dag weer word ik positief verrast. Collega’s komen met eigen voorstellen. Over hoe we het mentoraat beter kunnen laten functioneren. Of wat nodig is om excellente leerlingen nog beter te bedienen. Goede plannen werken we verder uit en belanden dus niet in de la. We zijn in de gelukkige omstandigheid dat we mensen financieel kunnen faciliteren in hun ontwikkelwerk. Dat leidt alleen maar tot nog meer vertrouwen en enthousiasme.’

    Boven de stof plaatsen

    ‘Heb je het over financiën, dan gaat het ook over de scholing van je mensen. Persoonlijk geloof ik niet in het idee van het buiten de deur een opleiding doen, maar juist in het leren binnen de school. Ik heb een mooie mix docenten in huis, van erg jong tot stevig belegen. Allemaal met hun eigen kwaliteiten. Met zoveel professionaliteit onder één dak is het ideaal om mensen gebruik te laten maken van elkaars kundigheid. Dat doe ik dan ook. Ik maak ze nieuwsgierig naar elkaar. Laat ze in elkaars klas kijken, maak intervisie-combinaties. Dat is een mooi leerproces, want uiteindelijk moet iedere school het doen met de mensen die zij heeft. Academisch geschoold of niet, dat maakt niet uit. Het jezelf boven de stof kunnen plaatsen. Kinderen zo enthousiasmeren en motiveren dat ze tot prestaties komen. Daar gaat het om.’

        ‘Wat ik later

wil? Een eigen

   garagebedrijf,

        net als mijn pa!

Sofie Eisenburger, projectleider Academische Opleidingsschool

‘Samen opleiden garantie voor leveren van kwaliteit’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    De Academische Opleidingsschool speelt een belangrijke rol bij het dichten van de kloof tussen opleidingstheorie en lespraktijk. Het geheim? Samen opleiden, aldus Sofie Eisenburger, projectleider van de Academische Opleidingsschool.


    Koppeling theorie en praktijk

    ‘Een tijd lang bestond er een grote kloof tussen theorie en praktijk. Nogal wat hbo- en wo-studenten schrokken bij wijze van spreken als ze na hun lerarenopleiding eenmaal voor de klas kwamen te staan. Met de oprichting van de Academische Opleidingsschool in 2006 is dit sterk aan het veranderen. Docenten van de lerarenopleidingen van de HAN en de RU vormen verschillende werkgroepen met (vak)docenten en de algemeen begeleiders van de Alliantiescholen. Deze brengen bij de ontwikkeling van het werkplekleren en de begeleiding hun praktijkervaring in, nodig voor een goede koppeling van theorie en praktijk. Door de inpassing van praktijkkennis in het curriculum, de verbeterde onderlinge afstemming en de intensievere begeleiding heeft het werkplekleren de afgelopen jaren aanzienlijk aan kwaliteit gewonnen. Resultaat is dat studenten beter worden opgeleid.’

    Sterke infrastructuur

    ‘Belangrijke uitdaging is hoe je de door werkgroepen ontwikkelde visie, materialen en curriculumwijzigingen optimaal overdraagt aan de schoolpracticumdocenten en het eindniveau bereikt dat je ook écht wilt bereiken. Het succes van een stage staat of valt grotendeels met de kennis en kunde van de begeleider in de klas, de schoolpracticumdocent (SPD). Afgelopen tijd hebben we fors ingezet op de verdere professionalisering van alle SPD’ers. Tijdens workshops is nader ingegaan op thema’s als het omgaan met leerwerktaken, videobegeleiding en de koppeling van theorie en praktijk. Ook is concreet ingegaan op vragen als ‘wat doe je als je twijfelt tussen een vijf of een zes?’ Dit soort handvatten zijn hard nodig om leraren-in-opleiding de noodzakelijke contextrijke, betekenisvolle leeromgeving te bieden. Daarbij hebben we veel profijt van onze sterke infrastructuur. De lijnen met HAN, RU en scholen zijn kort. We krijgen dingen snel voor elkaar, voelen ons gezamenlijk verantwoordelijk voor het leveren en garanderen van kwaliteit. Dat is ook precies de reden waarom ik zo overtuigd ben van het samen opleiden.’

    Onderzoekende houding

    ‘De komende periode zetten we verder in op de ontwikkeling van een onderzoekende houding. Kennis en toepassing van het vak, pedagogische, didactische en communicatieve vaardigheden, samenwerken binnen een organisatie: het is allemaal belangrijk, maar uiteindelijk willen we docenten die onderzoekend handelen. Reflecteren, zelfkritisch zijn en vragen stellen. Die onderbuikgevoelens toetsen in plaats van spuien, die hun mening exploreren en niet meteen een stelling poneren. Die resultaten niet zomaar voor lief nemen, maar onderzoeken wat aan die resultaten ten grondslag ligt. De onderzoekende school is een begrip binnen de Alliantie. Schoolleiders committeren zich aan het doen van onderzoek binnen hun schoolmuren, leerlingen krijgen via extra verdieping onderzoeksvaardigheden bijgebracht. Dan kunnen en mogen nieuw op te leiden en zittende docenten natuurlijk niet achterblijven.’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Mondial College-docenten Vera op de Ven, Joris van Elferen en Jasper Klaassen zijn trots én kritisch op hun vak. Zeker waar het gaat om de werkverdeling en het huidige beloningsysteem waarin financiële doorgroei niet of nauwelijks mogelijk is. Toch willen ze het docentschap voor geen goud missen.


    Over de keuze voor het docentschap

    Jasper: ‘Ik heb hbo-geschiedenis gedaan en daarna meteen de lerarenopleiding. Ik vind geschiedenis leuk, kan goed met kinderen omgaan en wil ze graag iets bijbrengen. Na mijn stage op het Mondial ben ik gebleven en nooit meer weggegaan.’
    Joris: ‘In 3 havo besloot ik dat ik docent wilde worden. Kennis overdragen, zelf lesmaterialen ontwikkelen; die combi sprak me aan. Ik heb hbo-scheikunde versneld gedaan, ben op mijn 19e gaan werken. Tussen de bedrijven door heb ik mijn master, dus eerstegraads bevoegdheid gehaald. Ik sta 14 jaar voor de klas, waarvan zes jaar op het Mondial, mijn oude middelbare school.’
    Vera: ‘Mijn interesse voor het lesgeven werd gewekt toen ik dansles gaf aan middelbare scholieren. Het ging me goed af en de kinderen vonden het leuk. Na afronding van mijn hbo-studie biologie heb ik op de universiteit mijn master en vervolgens mijn lerarenbevoegdheid gehaald. Een heel bewuste keuze. Ik werk nu zo’n zes jaar in het onderwijs.’

    Over kansen krijgen en grijpen

    Joris: ‘Op een gegeven moment is mij gevraagd of ik het vak Science op wilde zetten. Ik heb modules geschreven, met collega’s letterlijk een lokaal in elkaar getimmerd. Ik kreeg alle ruimte. En dat maakt hier werken ook zo aantrekkelijk. Ik heb mijn zaakjes voor elkaar, steek veel tijd in de school. Dus als ik een keer op pad moet of een extra cursus wil volgen, wordt me geen strobreed in de weg gelegd.’
    Vera: ‘Sinds twee jaar geef ik Onderzoek & Ontwerp op het Technasium. Dat was even schakelen, omdat ik als docente Biologie en Algemene Natuurwetenschap ben begonnen. Gelukkig kreeg ik alle tijd en ruimte om me in te werken. En ik kan altijd terecht bij mijn twee collega’s met wie ik dezelfde klassen – havo 5 – draai. Dat helpt me enorm.’
    Jasper: ‘Ik geloof enorm in de inzet van ICT in de klas, het gebruik van laptops en i-Pads. Ik heb een eigen YouTube-kanaal gemaakt waar ik zelfgemaakte filmpjes op plaats, dingen uitleg. Liefst wil ik toe naar een situatie waarbij ik leerlingen de traditionele klassikale uitleg online aanbied, zodat ik in de klas meer tijd heb voor een-op-een contact. Maatwerk leveren via flipping the classroom.’

    Over het huidige beloningsysteem

    Jasper: ‘Een van de grootste frustraties – zeker voor jongere docenten – is de beperkte mogelijkheid om financieel door te groeien. Jonge docenten zijn steeds beter geschoold, staan vaak veel meer voor de klas dan hun oudere collega’s. Toch bepalen anciënniteit en opgebouwde rechten nog steeds wat je verdient, in plaats van wat je kan. In andere bedrijfstakken lig je eruit als je te weinig presteert. In het onderwijs niet. En de kloof wordt steeds groter; dat verbaast me nog het meest.’
    Joris: ‘Vier jaar geleden voldeed ik al aan het LD-profiel, maar ik word nog steeds op LB-niveau gehonoreerd. Ik zou toe willen naar een situatie waarin je wordt geschaald op basis van de uitkomsten van de beoordelings- en functioneringsgesprekken. Dat je letterlijk moet werken aan het bereiken van een hogere salarisschaal. Net als andere bedrijven moet een school financieel gezond blijven. Dan betaal je dus niet de hoofdprijs voor een niet-functionerende werknemer.’
    Vera: ‘Functiewaardering moet sowieso losstaan van leeftijd. Sommige mensen zitten binnen een paar jaar al op een niveau waar anderen misschien wel dertig jaar over doen.’

    Over de scheve werkverdeling

    Joris: ‘Als mentor heb ik officieel 60 uur voor 30 leerlingen, dus effectief twee uur per leerling. Met de rapportbesprekingen en mijn Magister-commentaren ga ik al bijna over die uren heen en dan moet ik dus nog aan mijn eigenlijke mentortaken beginnen. Stukje bij beetje komen er meer taken bij, ieder jaar weer. Ik snap dat er extra werk op ons afkomt. Juist daarom moeten we ook kritisch kijken naar wat er binnen de vastgestelde tijd mogelijk is. De laatste anderhalf jaar is lesgeven voor mij bijzaak geworden. Ik ben nog steeds docent, zeker in de les. Maar er is een tijd geweest dat ik me ook echt docent voelde.’
    Jasper: ‘Onder het mom van 'het hoort erbij' wordt er vooral bedrijfsmatig steeds meer van je verwacht. Het werk verandert niet zoveel, het is vooral meer en gecompliceerder. De administratieve rompslomp eromheen. Alleen als mentor moet ik al zoveel bijhouden dat ik soms de draad kwijtraak.’

    Toekomst

    Jasper: ‘Een nieuw beleidsplan, een nieuwe visie; het hoort erbij. Maar kijk vooral naar waar je als Alliantie, als scholen, nu staat. Kijk naar je personeelsbestand, naar je functiemix, naar opgebouwde rechten van je medewerkers. Maak daar beleid op om een gezonde flexibele bedrijfsvoering te kunnen hanteren. Schuif desnoods met mensen, in het kader van blije mobiliteit. Personeel is de basis van je organisatie. En die basis moet goed, stabiel en tevreden zijn.’
    Vera: ‘Als school kun je heel veel leren van je personeel. Dat wordt nu nog te weinig gedaan. Je kunt pas een gezond personeelsbeleid voeren als je weet welke medewerkers je op je school hebt en je uit verschillende groepen geluiden verzamelt over wat er leeft en wat er eventueel moet veranderen. Werken in teams is prima, zeker als die teams ook van elkaar weten wat ze waarom doen.’
    Joris: ‘Plannen voor de nabije toekomst worden pas concreet als je kritisch terugblikt. Doe je dat, dan proef je wellicht wat onvrede. Tegelijkertijd biedt dit je inzicht in de verbeterpunten die naar mijn idee in de sfeer van beloning en werkverdeling liggen en dus zeker niet onoverkomelijk zijn.’

    Over (doceren op) het Mondial College

    Jasper: ‘Het Mondial College is een heel veilige en sociale school, zowel voor het personeel als de leerlingen. Er wordt rekening gehouden met wie ik ben; ik kan mijn ei goed kwijt. Dat sterke sociale gezicht heeft wel als keerzijde dat de school naar mijn mening soms te ver gaat om leerlingen binnen de deur te houden.’
    Vera: ‘Het Mondial College is een sfeervolle school. Die sfeer wordt door de leiding positief gestimuleerd en door iedereen gedragen, van brugklasleerling tot locatiedirecteur. Persoonlijk vind ik het wel jammer dat ik niet meer energie in het onderwijs kan stoppen. Er niet meer uit kan halen wat erin zit, zowel bij mijn leerlingen als mezelf.’

Docenten Vera op de Ven, Joris van Elferen en Jasper Klaassen

‘Kijk beter naar je basis, leer van je personeel’

        ‘Na het vmbo ga ik naar de havo.

                         Daarna?

        Misschien wel het vwo!’

Pauline Jagtman, oud-directeur Radboud Docenten Academie

‘Vráág leerlingen hoe je hen meer kunt leren’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Docenten moeten binden en boeien, investeren in glimmende oogjes. Dat valt niet altijd mee, zeker als je je eigen verwondering, verbazing en nieuwsgierigheid wilt behouden. Veel staat of valt met een goede opleiding, weet Pauline Jagtman, oud-directeur van de Radboud Docenten Academie.


    Drie nieuwe rollen

    ‘Jaarlijks starten zo’n 250 studenten een opleiding aan de Radboud Docenten Academie. Het gros heeft een master biologie, geschiedenis of maatschappijleer. Maar een klein aantal heeft een taal- of bèta-achtergrond, de traditionele tekortvakken. Mensen komen binnen als vakinhoudelijk specialist en in het ene jaar van hun docentopleiding moeten ze drie nieuwe rollen onder de knie krijgen, die van vakdidactisch specialist, pedagoog en professional. Dat is pittig, vooral als je bedenkt dat studenten een wetenschappelijke basis hebben en in relatief korte tijd zich de praktische kanten van het onderwijs meester moeten maken.’

    Zelfbewust kwetsbaar

    ‘Voordat ze met hun opleiding beginnen, hebben we met alle nieuwe docenten-in-spe een persoonlijk gesprek. Waarom willen ze in het onderwijs werken? Hoe stellen ze zich op? Zijn ze in staat straks mensen te vinden met wie ze samen op kunnen trekken? We willen weten of ze organisatiebewustzijn hebben. Hun verantwoordelijkheid durven te nemen. Denken over wat ze doen en vervolgens doen wat ze denken. Academici zijn van huis uit denkers, terwijl ze doeners moeten worden. Dat betekent – zeker in het begin – dat ze zich zelfbewust kwetsbaar op moeten durven stellen en dus sterk in hun schoenen moeten staan.’

    Doeners en denkers afleveren

    ‘Samen met de Alliantiescholen en de HAN werken we nauw samen in de Academische Opleidingsschool, vanuit de gedachte dat samen opleiden het best werkt. Groot voordeel van de samenwerking is de structurele aandacht voor en de praktische invulling van het permanent leren voor de docenten. Scholen willen graag dat eerste- en tweedegraads docenten in alle jaarlagen lesgeven, vooral met het oog op de door iedereen als super belangrijk ervaren doorlopende leerlijn. Maar dat gebeurt nog lang niet overal. De kunst is binnen school een cultuur te creëren waar binding op IQ én EQ plaatsvindt. Waar een mentaliteit heerst van ‘samen doen we iets beters’ in plaats van te blijven hangen in de discussie dat tweedegraders doeners en eerstegraders denkers afleveren.’

    Investeren in glimmende oogjes

    ‘Docenten moeten kunnen binden en boeien. Investeren in glimmende oogjes én in hun eigen carrière. Ze moeten ook hun verwondering, verbazing en nieuwsgierigheid zien te behouden, al zijn er maar weinig die dat hebben. Bijna allemaal herinneren we ons de docent die ons het meest heeft gekwetst of ons enthousiasmeerde. Bijna nooit weten we van welke docent we het meest hebben geleerd. Dat is iets wat ik jonge docenten wil meegeven: vráág leerlingen hoe je hen meer kunt leren.’

5

Onze scholen en ons onderwijs

 

 

Onze scholen verzorgen een volledig en kwalitatief goed onderwijs-aanbod, dat voor elke leerling op fietsafstand beschikbaar en bereikbaar is. Zij bieden onderwijs dat álle leerlingen uitdaagt het beste uit zichzelf
te halen. De krimp rukt op, ICT-mogelijkheden nemen toe. Onze scholen kijken dan ook hoe het morgen beter kan én moet. In overeenstemming met elkaar en afstemming met andere onderwijsaanbieders in de regio.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze plannen voor de komende jaren

   Onze scholen handhaven hun brede onderwijsaanbod in de regio. Wij spelen alert in op nieuwe vragen en ontwikkelingen.

   De kwaliteit van ons onderwijs is meer dan op orde.

   Onze scholen hebben een eigen herkenbaar profiel dat aansluit op wensen en behoeften uit de eigen wijk en regio, onderwijsontwikkelingen en (trends in) onze samenleving.

   Onze scholen staan midden in de samenleving. Zij besteden – ieder op hun eigen manier – aandacht aan brede vorming, persoonsvorming en internationalisering.

   Onze scholen bieden alle leerlingen uitdagend onderwijs. Zij helpen achterstandsleerlingen heel gericht en spelen met hun aanbod in op leerlingen die meer kunnen.

   We gebruiken ICT om leerlingen meer uit te dagen en docenten meer mogelijkheden te geven. Onze scholen kijken kritisch naar de inzet en daarmee de resultaten van ICT.

   Onze scholen leveren hun bijdrage aan de discussie over voortgezet onderwijs in de toekomst. Ze maken zich sterk voor het terugdringen van een te vroege selectie. Ook willen ze het cognitief gerichte onderwijs meer verbinden met het praktijkgerichte en vaardighedenonderwijs. Hier valt met name voor het vmbo-t en de havo een wereld te winnen.

   Op onze scholen mogen leerlingen vakken afronden op hun eigen niveau. Dit betekent meer onderwijs op maat en inzetten op gedifferentieerde einddiploma’s (maatwerkdiploma’s).

   Onze scholen toetsen voortdurend of hun onderwijskundige aanpak de beoogde resultaten oplevert. Leren van elkaar en van onderzoek maakt onze scholen beter.

 

 

 

Hoe wij onze plannen willen realiseren

•   Brede vorming.

•   Breed gedragen teamwerk.

•   Gedifferentieerd onderwijsaanbod.

•   Theorie en praktijk verbinden.

•   Doorlopende leerlijnen en loopbaanberoepsoriëntatie.

•   Samenwerking in de regio.

•   Eigentijds ICT-onderwijs.

•   Draagvlak creëren bij veranderingen.

•   Herkenbare schoolprofielen.

 

 

Verder lezen? Download de PDF voor ons volledige verhaal.

 

 

Carla van den Bosch, directeur basisschool Het Talent

‘Leerlingen moeten veel
meer vrijheid krijgen’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    De doorstroom van het primair naar het voortgezet onderwijs is in Nijmegen goed geregeld, vindt ook Carla van den Bosch, directeur van basisschool Het Talent. Toch zijn er genoeg manieren om de overgang beter te laten verlopen en tot nog gerichtere talentontwikkeling te komen. Van leerlingen én docenten.


    Specifieke talentontwikkeling

    ‘In het primair onderwijs wordt stukje bij beetje afgestapt van het leerstof jaarklassensysteem, in het voortgezet onderwijs neemt de aandacht voor het werken in modules toe. Dat is een positieve ontwikkeling. Het bevordert de in- en uitstroom op verschillende niveaus en biedt meer ruimte voor specifieke talentontwikkeling. De doorstroom van leerlingen van het primair naar het voortgezet onderwijs is in Nijmegen goed geregeld. Alle kinderen worden individueel besproken, met een mentor of een docent. Soms ook als ze al een tijdje op de middelbare school zitten. Nu nog zijn het advies van de basisschool en de eindtoets bepalend voor het niveau waarop kinderen het voortgezet onderwijs binnenkomen. Dat gaat meestal goed, ook omdat scholen hun “toeleveranciers” kennen. Toch zijn hier stappen te zetten, bijvoorbeeld door kinderen in hun eerste po-jaren gerichter te volgen. In te zoomen op wat wel en niet goed gaat en waarom. Maak je hierover in onderling overleg goede afspraken, dan is op termijn een eindtoets niet meer nodig.’

    Waarom leren samenwerken?

    ‘Excellente leerlingen met cognitieve talenten – onder wie hoogbegaafde kinderen – hebben niet altijd even sterk ontwikkelde metavaardigheden. De WRR roept dat het belangrijk is om ook deze vaardigheden bij te spijkeren. Ik snap dat niet zo, dat aanspreken op iets waar je mogelijk niet zo goed in bent en waarvan je minder gebruik maakt. Leerlingen moeten sowieso – de excellente leerlingen in het bijzonder – meer vrijheid krijgen. De oplossing zou ICT kunnen zijn. Met de nadruk op kunnen. Huidige toepassingen zijn vooral gericht op oefenen en een vorm van samenwerken. ICT-gebruik zorgt voor veel creativiteit, maar methodische inzet ontbreekt. Precies dat is nodig om écht effect te sorteren.’

    Gezamenlijke expertisegroei

    ‘Meer vertrouwen heb ik in de beweging om docenten en leerkrachten onderzoekend te laten werken. Zelf ben ik groot voorstander van de rechtstreekse koppeling tussen onderwijs en onderzoek. Het als po- en vo-scholen optrekken met hogeschool en universiteit om tot gezamenlijke expertisegroei te komen. Dan maakt het als het goed is voor een kind niet meer uit naar welke middelbare school het gaat, omdat doorgaande leerlijnen optimaal op elkaar aansluiten. Verder maak ik me sterk voor meer onderlinge kennisuitwisseling tussen po- en vo-docenten. Introduceer meer flexibele personele organisatievormen. Laat studenten van de verschillende lerarenopleidingen stage lopen in zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs. Zet je kwaliteiten van mensen anders in? Dan creëer je nog meer betrokkenheid en werk je tegelijkertijd aan de doorgaande leerlijn van het personeel.’

    ‘Vmbo-t is

voor mij een heel

 mooie combinatie

        van makkelijk en

                      moeilijk’

Hanneke Berben, bestuursvoorzitter ROC Nijmegen

‘Leerlingen nu voor straks

de beste basis bieden’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Ondanks de verwachte krimp op de arbeidsmarkt blijft de behoefte aan goed opgeleide vakmensen ook in de (nabije) toekomst bestaan, verwacht Hanneke Berben, bestuursvoorzitter van ROC Nijmegen. Wat wel verandert, is de vraag.


    Nu voor straks

    ‘Kennis verandert snel en daarmee de aard en inhoud van een groot aantal beroepen. De kunst is om leerlingen die instromen en over vier jaar de arbeidsmarkt betreden, nu voor straks de juiste basis te bieden. Dat is lastig, onderwijs ijlt altijd na. Daarom proberen we bij zoveel mogelijk partijen om tafel te zitten, in te spelen of vooruit te lopen op trends. De afgelopen jaren is de waardering vanuit het bedrijfsleven enorm toegenomen en het percentage vroegtijdig schoolverlaters gedaald. Ook zijn onze diplomarendementen gestegen. Onder andere door meer door te investeren in kwaliteitsverbetering. We moeten met minder geld meer kwaliteit bieden en hebben er heel bewust voor gekozen veel te investeren in de positie van ons personeel, in nabijheid.’

    Beschermend en zelfstandig

    ‘De doorstroom van het vmbo naar het mbo hapert soms. Helemaal vreemd is dat niet, gezien de verkokering van beide stelsels. Waar het mbo nieuwe kwalificatiedossiers opstelt, is het vmbo bezig de profielen te veranderen. Dit betekent dat we opnieuw moeten zoeken naar waar we elkaar in het midden vinden. Verder is sprake van een cultuurverschil tussen vmbo en mbo. Het vmbo – of breder: het voortgezet onderwijs – is meer beschermend naar zijn leerlingen toe. Hier op het mbo draait het om zelfstandigheid. Vanaf dag één worden leerlingen uitgedaagd los te laten. Iets wat ze op het vmbo niet of minder gewend waren.’

    Baanperspectief vergroten

    ‘De arbeidsmarkt heeft behoefte aan goede middelbaar opgeleide vakmensen en dat blijft zo. Wat wel verandert, is de vraag. Daar spelen we actief op in. Onder meer door de komende jaren gerichter in te zetten in op het zogenaamde loopbaanleren. We brengen talenten van vmbo-leerlingen in kaart, koppelen die aan specifieke mbo-leerroutes en beroepstypen om het uiteindelijke opleidings- en dus baanperspectief te vergroten. Verder zullen we in een vroeger stadium dan nu met vo-scholen in gesprek gaan om de warme overdracht tussen vmbo en mbo te bevorderen. Docenten kunnen hierin een belangrijke rol spelen, mede omdat ze vanuit hun gezamenlijke basis dezelfde taal spreken.’

    In gesprek blijven

    ‘De discussie over de krimpende arbeidsmarkt? Ik weet het niet. Er wordt al jarenlang een groot tekort in de zorg voorspeld. Terwijl er juist ontslagen vallen. De arbeidsmarkt verandert. Voor ons als mbo-instelling blijft het lastig hier goed op in te spelen. Belangrijk is om met elkaar in gesprek te blijven over welke veranderingen zich voordoen. Wat deze veranderingen voor ons onderwijs betekenen. Hoe we daarop moeten anticiperen, in welke vorm en met wie. We gaan hoe dan ook de breedte in met onze opleidingen. De arbeidsmarkt vraagt om breed inzetbare mensen. Ook straks.’

Frank Stöteler, lid College van Bestuur Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN)

‘Studenten willen gekend en geraakt worden’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Grote uitdaging voor het hbo is de structurele verbetering van het examenrendement. De HAN biedt met de studiekeuzecheck en een warmere overdracht vanuit het voortgezet onderwijs studenten-in-spe de helpende hand, aldus Frank Stöteler, lid van het College van Bestuur.


    Toekomst veilig stellen

    ‘De laatste jaren hebben we op een aantal fronten mooie stappen gezet. Examennormen en –standaarden zijn verhoogd om het eindniveau van het onderwijs te verbeteren. Ook op onderzoeksgebied is veel geïnvesteerd. Zo’n 50 lectoren werken vanuit verschillende kenniscentra in tal van onderzoeken nauw samen met hun academische collega’s. Verder zijn we druk het aantal deeltijd- en masteropleidingen uit te breiden. Ook ontwikkelen we excellentieroutes om de overgang van studenten naar de universiteit soepeler te laten verlopen.’

    Uitgebreide studiekeuzecheck

    ‘De grootste uitdaging van allemaal is misschien wel de verbetering van het examenrendement. Leg je de lat hoger, dan weet je dat meer studenten de eindstreep niet halen binnen de toegestane tijd. De kunst is om vo-leerlingen de juiste hbo-studiekeuze te laten maken. Daarom gaan we ze helpen. Onder meer via een uitgebreide studiekeuzecheck; een intake vooraf waarmee we talent, aanleg, kwaliteit, competenties en vooral motivatie van studenten-in-spe in kaart brengen. Ook vertellen we ze over het eerste studiejaar, eventuele hobbels in de opleiding en wat ze van hun beroep mogen verwachten. Op basis van de resultaten geven we een richting aan. Het is de leerling die bepaalt.’

    Van Leerling naar Student

    ‘Waar het gaat om het maken van de juiste studiekeuze besteden we extra aandacht aan de warme overdracht. Op de Quadraam-scholengroep loopt het pilotproject Van Leerling naar Student, waarbij we HAN-studenten in contact brengen met havo-5 leerlingen, mentoren, decanen en studieloopbaanbegeleiders van hun oude school. De studenten vertellen meer over hun ervaringen, nemen leerlingen als het ware mee en effenen zo het pad voor hen die van plan zijn om ook naar de HAN te gaan. De reacties zijn positief. Leerlingen vinden het fijn om al een stukje te worden meegenomen in een wereld die ze straks wellicht ook gaan ontdekken.’

    Meer blended onderwijs

    ‘Voor de komende jaren verwacht ik dat het hoger onderwijs meer blended zal worden. Door de inzet van ICT kunnen studenten hun hoorcolleges deels thuis volgen en opdrachten op afstand maken. Al blijft het Bildungselement – vorming in de meest brede zin van het woord – enorm belangrijk. Studenten hebben behoefte aan een thuishonk, een fysieke omgeving waarin ze zich thuis voelen. Waar ze hun docenten kennen, gekend en geraakt worden, worden uitgedaagd om zelfstandig naar een hoger kwaliteitsniveau toe te werken. De zesjescultuur ligt definitief achter ons, die tijd hebben we echt gehad.’

    ‘Docenten leggen alles duidelijk uit,

         wel twee of drie keer

                        als het moet’

  • LEES HET INTERVIEW 

     

     

    Ad van Hout, voormalig coördinator ‘aansluiting vwo-wo Radboud Universiteit Nijmegen’, is blij te constateren dat Alliantie-scholen zich steeds verantwoordelijker voelen voor het universitair studiesucces van hun oud-vwo’ers. Toch zijn de komende jaren nieuwe stappen nodig om de aansluiting verder te verbeteren.


    Categorale gymnasia en streekscholen

    ‘De afgelopen jaren zijn twee onderzoeken gedaan onder oud-vwo-leerlingen van 36 scholen die jaarlijks gemiddeld minimaal 30 leerlingen aan de Radboud Universiteit ‘leveren’. Onder deze scholen waren ook de Alliantiescholen. Oud-leerlingen van de beste school behaalden het eerste jaar op de universiteit gemiddeld 53 studiepunten, die van de slechtste school 37. De gemiddelde uitval was 21,7%, met een marge tussen 7% en 34%. De mate waarin vwo’ers presteren op de universiteit hangt deels samen met hun middelbare schoolachtergrond. Oud-leerlingen van de drie categoriale gymnasia in de regio bijvoorbeeld presteren over het algemeen goed. Al bleek uit beide onderzoeken dat oud-leerlingen van een aantal streekscholen het op de universiteit nog beter deden.’

    Aansluiting optimaliseren

    ‘Vo-scholen kunnen de aansluiting met het wetenschappelijk onderwijs op verschillende manieren optimaliseren. Door te zorgen voor zoveel mogelijk academisch opgeleide leraren bijvoorbeeld. Door vwo’ers zelfstandig te laten plannen, ze regelmatig lange, pittige Engelse teksten te laten bestuderen. En dan niet alleen bij het vak Engels. Verder is het raadzaam veel aandacht te besteden aan schrijfvaardigheid, rekenen en wiskunde. En om zoveel mogelijk vaardigheden geïntegreerd terug te laten komen in het profielwerkstuk. Verschillen tussen SE en CE moeten worden verkleind en getalenteerde vwo’ers moeten extra worden uitgedaagd door ze ‘hard te laten werken’. Wat ook helpt is om behalve de decaan en de mentor ook de vakdocent te betrekken bij de loopbaanoriëntatie en –begeleiding van de leerling. En last but not least: besteed extra aandacht aan de jongens!’

    De jongens en de meiden

    ‘Jongens doen het op alle fronten minder dan meisjes. In de bovenbouw van het vwo én op de universiteit. Dat komt deels omdat jongens eerder geneigd zijn om vanuit externe motieven een opleiding te kiezen; een snelle auto van de zaak, dure maatpakken. Maar het is ook een nature kwestie. Volgens hersendeskundigen duurt het langer voordat de frontale cortex bij jongens is uitgerijpt. Hierdoor kunnen ze als adolescent minder goed zelfstandig studietaken uitvoeren, wat een negatieve invloed heeft op het studiesucces. Ook de feminisering van het onderwijs, het ontbreken van mannelijke rolmodellen – zeker in het basisonderwijs – speelt volgens deskundigen een rol. De oplossing? Je zou meer kunnen differentiëren naar sekse in de bovenbouw van het vwo en in het eerste en tweede jaar op de universiteit. Een andere optie is om een competitie-element aan opdrachten toe te voegen; dat werkt in andere landen ook. Hoe dan ook: het is belangrijk om samen naar het jongensvraagstuk te kijken, want er gaat onnodig veel talent verloren.’

Ad van Hout, voormalig coördinator aansluiting vwo-wo Radboud Universiteit Nijmegen

‘Besteed extra aandacht aan de jongens!’

6

Onze financiën en onze huisvesting

 

 

De kwaliteit van ons onderwijs vraagt een solide financiële basis, goede faciliteiten en ‘passende’ schoolgebouwen. Gezonde bedrijfsvoering en realisatie van eigentijdse huisvesting staan daarom centraal bij de Alliantie Voortgezet Onderwijs. We werken met een heldere plannings- en control-cyclus en een op ons onderwijs toegesneden risicomanagementsysteem.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze plannen voor de komende jaren

   Het geld (de lumpsum waar een school op basis van het leerlingenaantal recht op heeft) gaat naar de scholen. Onze scholen dragen jaarlijks een vast percentage af aan bestuursbureau, bestuur en Raad van Toezicht. Het bestuur regisseert bijkomende gemeenschappelijke activiteiten.

   Alle scholen beschikken over voldoende eigen vermogen (vastgesteld op basis van het eigen risicoprofiel) en anticiperen tijdig op de afnemende instroom van het aantal leerlingen.

   Bestuur en scholen kennen hun risico’s en passen hun beleid tijdig aan.

   De Alliantie Voortgezet Onderwijs hanteert en actualiseert een afgewogen set kengetallen, waarmee scholen hun financiën vergelijken, sturen en beheersen.

   Wij bereiden ons tijdig voor op regionale krimp (ontgroening) die tot 2030 zeker 18% zal bedragen. Via een zorgvuldig formatiebeleid willen we het ontslaan van collega’s in vaste dienst voorkomen. Wij anticiperen op de veranderende regelgeving rond de bekostiging van het onderwijs om de bedrijfsvoering van onze scholen op orde te houden.

   Scholen en bestuur werken nauw samen om kosten te besparen en bedrijfsprocessen te verbeteren.

   Onze onderwijshuisvesting is up to date. Leerlingen en medewerkers gaan dagelijks naar een stimulerende en veilige leer- en werkomgeving.

   De financiële positie van de Alliantie Onderwijshuisvesting Nijmegen is gezond.

 

 

 

Hoe wij onze plannen willen realiseren

•   Strikt begrotingsbeleid.

•   Heldere planning- en controlcyclus.

•   Afgewogen set kengetallen.

•   Samen kosten besparen.

•   Stevige administratieve organisatie.

•   Klaar voor de krimp.

•   Nieuw bekostigingsstelsel.

•   Gezamenlijk solidariteitsfonds.

 

 

Verder lezen? Download de PDF voor ons volledige verhaal.

 

 

 

 

 

 

Om te zorgen dat we onze plannen ook echt waarmaken, houden we de vinger aan de pols. We maken regelmatig een tussenbalans op om te kijken waar we staan en wat we nog moeten doen. Wilt u weten hoe, dan kunt u dat nalezen in de pdf op pagina 56.

 

OP DEZE SITE STAAT HET BELEIDSPLAN IN HOOFDLIJNEN UITGELEGD.
Wilt u meer lezen? Download dan de PDF voor ons volledige verhaal. Meer informatie? Neem dan contact op met de Alliantie Voortgezet Onderwijs.

 

Correspondentieadres

Postbus 6618, 6503 GC Nijmegen

 

Bezoekadres

Scherpenkampweg 21, 6545 AK Nijmegen

 

Telefoon  024 3790158

Email  info@alliantievo.nl

Versie 10-09-15. Copyright © 2015 Alliantie Voortgezet Onderwijs

 

De Alliantie streeft ernaar actueel en juist te zijn. Aan de informatie op deze website kunt u echter geen rechten ontlenen en de redactie kan geen aansprakelijkheid aanvaarden voor schade die zou kunnen voortvloeien uit eventuele fouten op deze website. Beslissend is altijd de tekst van de formeel vastgestelde regelingen.

 

De Alliantie Voortgezet Onderwijs kan de informatie op deze site herzien zonder vooraankondiging.

 

Komt u informatie op de site tegen die volgens u niet juist is? Stuur dan een e-mail. We controleren uw melding en u krijgt zo snel mogelijk bericht.

 

Op de meeste teksten van de website van de Alliantie Voortgezet Onderwijs rust auteursrecht. Voor gebruik van deze teksten/documenten anders dan na raadpleging via internet is toestemming nodig van het bestuur van de Alliantie Voortgezet Onderwijs.